Moed & angstenNederlands
Fien, Pim en de donder
Fien hoorde de donder rommelen boven het dak en kroop diep onder haar deken.
Ze wilde slapen, met Pim in haar armen. Pim was haar knuffelkonijn met één lang oor. Maar Pim lag op de vloer, in de donkere hoek bij de kast.
Fien stak haar arm uit het bed. Ze tastte en tastte, maar ze voelde alleen lucht.
"Pim?" fluisterde ze. Pim zei niets. Pim was een konijn.
Boem! Het huis trilde een beetje, als een pan op het vuur. En daarna hoorde ze iets anders: tik, tik, tik. Het kwam niet van het dak. Waar kwam het vandaan?
Fien probeerde het met haar deken. Ze liet het eind naar beneden hangen, als een touw. Maar het touw was te kort. Pim bleef liggen.
Ineens werd de kamer wit. Een bliksemflits! Fien kneep haar ogen dicht. Toen deed ze ze weer open, heel voorzichtig, en het was alweer donker.
"Het onweer doet de lamp aan," fluisterde ze. "Even maar."
Ze wachtte op de volgende flits. Flits! Nu keek ze goed. Haar jas hing op de stoel. De schoenen stonden op een rij. En Pim lag vlak bij het bed, niet in de hoek. De hoek was gewoon een hoek.
En op de vensterbank zat een kleine groene kikker. Hij tikte met zijn poot tegen het glas. Tik, tik, tik.
"Jij bent het!" zei Fien.
Boem, deed de donder, ver weg. "Kwak," deed de kikker, een tel later. Fien moest erom lachen. De kikker wilde niet naar binnen. Hij wilde alleen droog zitten onder de bloempot.
"Nu weet ik waar Pim ligt," zei Fien. Ze zette haar voeten op de vloer, bukte, pakte Pim bij zijn lange oor en sprong terug in bed.
Onder de deken legde ze Pim tegen haar wang. De regen viel zacht op het dak, plits, plits. Ergens ver weg rommelde de donder nog één keer, en buiten kwakte de kikker er zachtjes achteraan.