Naar de inhoud springen

Moed & angstenNederlands

Het hek dat zingt

“Vergeet het hek niet, Fien,” zei Opa. “Doe het dicht voordat je gaat slapen.”

“Dat beloof ik,” zei Fien.

Ze woonde met Opa op de kermis, in een wagentje tussen de gestreepte tenten. Elke avond deed zij het hek dicht. Dat was háár werk. Het hek stond ver weg, helemaal aan het eind van het pad.

Fien pakte haar zaklamp. Klik, klik. Er gebeurde niets. De batterij was leeg.

Buiten was het pikdonker. De tenten waren grote, zwarte bulten. Fien deed een stap. Toen nog een. Ze rende een stukje, want dan was het sneller voorbij. Maar ze struikelde over een touw en moest weer stilstaan.

Dan maar met haar ogen dicht. Dat was nog erger. Nu hoorde ze alles.

Snuf, snuf, ritsel!

Fien bleef stokstijf staan. Iets rommelde in het gras. Ze kneep haar ogen open. Daar liep een egel, met zijn neus langs de grond. Hij zocht slakjes en had helemaal geen tijd voor Fien.

“Hoi,” fluisterde ze. De egel snuffelde door.

Fien moest lachen, een heel klein beetje. Toen hoorde ze de draaimolen, heel zacht. Die draaide altijd, de hele nacht. Ze neuriede met de muziek mee. Een stapje, nog een stapje. Ze voelde langs de tent. Het doek was ruw en streperig, net als altijd. Het was gewoon haar eigen tent.

Een stapje, nog een stapje. Daar was het hek! Fien duwde het dicht.

Kriereloerie, zong het hek. Dat deed het altijd, in plaats van piepen. Het klonk als een liedje.

Fien zong het zachtjes na. “Kriereloerie.”

Ze liep terug langs de tenten, een stapje, nog een stapje, en de draaimolen draaide en draaide in het donker.