Moed & angstenNederlands
Fien poetst de maan
Fien zat onder in het konijnenhol en knoopte een gele doek om een stokje. Ze trok het knoopje strak.
Het was woensdag. Op woensdag kwam de maan naar de heuvel om gepoetst te worden. Dat wist iedereen. Fien wilde dit keer meepoetsen, helemaal zelf. Maar het hol had vijf tunnels, en de tunnel naar boven was donker.
"Ik ben een klein beetje dapper," fluisterde Fien. "Dat is genoeg voor één stapje."
Ze deed één stapje. Toen nog één. Haar snorharen voelden langs de muur, en ineens was er lucht en sterrenlicht. De maan zat op het gras, rond en groot als een bord.
"Goedenavond," bromde de maan. "Links graag. Daar zit een vlek."
Fien hield de doek omhoog. Woesj! De wind griste hem weg. Fien rende erachteraan, pakte hem, en knoopte hem weer vast. Woesj! Weg was hij weer.
"Een klein beetje dapper," zei Fien tegen zichzelf. Ze probeerde het nog eens, met twee pootjes stevig om het stokje. Woesj! De doek wapperde als een vlag, en het stokje trok haar bijna mee.
Fien keek om zich heen. De grassprieten bij de grote steen bewogen niet. Daar was het stil. De wind ging er gewoon overheen.
Ze kroop achter de steen. Daar knoopte ze de doek vast, eerst één keer, dan nog een keer. Hij bleef zitten.
Ze liep terug naar de maan en poetste links, in kleine rondjes. Het kriebelde.
"Hihi," deed de maan. "Daar! Nog een beetje hoger."
De vlek werd kleiner en kleiner, tot hij helemaal weg was. In de maan zag Fien twee lange oren en een gele doek. Het licht werd zacht en warm, en de maan neuriede heel diep: "Mmmmm."