Naar de inhoud springen

Moed & angstenNederlands

Mats en het wolkje van oma

Mats wilde de hele nacht bij oma slapen, zonder naar huis te gaan. Het was de eerste keer dat hij mocht logeren.

Boven oma's dak hing altijd een klein grijs wolkje. Het ging overal met haar dak mee, naar geen ander dak. Niemand vond dat gek. Oma zette gewoon een emmer neer.

Om zeven uur lag Mats in het logeerbed. Het bed was zo groot als een boot.

“Welterusten, jongen,” zei oma, en ze deed het licht uit.

Mats deed zijn ogen dicht. Dat hielp niet. Het kussen rook niet naar thuis. En Konijn lag nog op zijn eigen bed, heel ver weg.

Hij telde tot tien. Hij draaide het kussen om. Hij draaide zichzelf om. Het bleef raar.

Toen hoorde hij iets. Plip, plop. Plip, plop. Hij keek door het raam. Het wolkje liet druppels op de pannen vallen. Het klonk als kleine vingers die op een tafel trommelen.

Boem-hik! deed het wolkje ineens. Een heel klein donderhikje. Mats moest lachen.

Oma stak haar hoofd om de deur. “Ik moet de emmer verzetten,” fluisterde ze. “Het wolkje drupt weer bij de kast.” Ze schuifelde weg. Tink, tink, deed de emmer.

Mats lag weer alleen. Hij had geen Konijn. Maar op het stoeltje lag een dikke sok van oma. Hij pakte hem en vouwde de bovenkant om. Dat werden twee oren. Hij had een sokkenkonijn!

Hij stopte het konijn onder zijn kin en luisterde naar het dak.

“Plip, plop, ik blijf hier op,” fluisterde hij.

Het wolkje drupte mee. Plip, plop. Mats zei het nog een keer, zachter. “Plip, plop, ik blijf hier op.”

Boven het dak deed het wolkje nog één kleine hik. Toen was er alleen nog het zachte regentikken, en Mats' ogen gingen dicht.