Seizoenen & weerNederlands
Fien en het rode blad
In het bos lagen overal blaadjes. Fien liep met haar mandje over het pad.
Ze zocht één blad, het grootste en roodste van het hele bos. Dat wilde ze op haar vensterbank leggen.
Daar lag het! Fien rende ernaartoe. Maar de wind blies, en het blad rolde weg.
"Blijf liggen, blaadje!" riep ze.
Het blad rolde en rolde. Fien rende erachteraan en dook met haar mandje naar beneden. Het blad glipte er net onderuit.
Naast het pad rommelde iets in de bladeren. Het was een egel. Hij duwde zijn neus in een hoop bruine blaadjes en rolde er helemaal doorheen.
"Wat doe je?" vroeg Fien.
"Ik maak mijn winterbed," zei de egel. "Ik heb alleen bruine blaadjes nodig. Dat rode blad is niet voor mij."
Hij stond op. Er zaten wel twintig blaadjes aan zijn stekels. Hij zag eruit als een struik die ging wandelen. Fien moest erom lachen.
Toen blies de wind weer, en het rode blad rolde verder, tot vlak bij het beekje. Dat beekje liep vandaag bergop. Dat deed het altijd op de eerste van de maand, en niemand keek ervan op.
Fien bleef staan. Ze keek naar de blaadjes langs het water. Die lagen allemaal plat en bleven liggen. Ze waren nat.
Fien had een idee. Ze doopte haar vingers in het beekje. Heel zachtjes sloop ze naar het rode blad.
Drup, drup, drup. Drie druppels op het blad.
De wind blies. Het blad bewoog niet.
"Hebbes," fluisterde Fien. Ze tilde het op met twee handen en legde het in haar mandje.
De egel schuifelde weg door het bos. Zijn blaadjes ritselden, steeds zachter. Het beekje liep bergop, kabbelend, en in het mandje lag het rode blad, stil en nat.