Lichaam & zintuigenNederlands
Stampen in de plas
"Plik, plok, plik," zei de regen op het raam, en Noor trok meteen haar nieuwe laarzen aan.
Ze waren rood en glimmend. Ze had ze nog nooit in een plas gehad. Vandaag wilde ze stampen in de allergrootste plas, die achter het hek lag.
Noor duwde het hek open. Het kraakte niet. Het zong: "Doo-re-mie." Zo deed dat hek altijd.
Daar was de plas. Hij was zo breed als een bed. In het midden zat een stukje grijze lucht.
"Daar wil ik stampen," zei Noor. "In het midden!"
Ze nam een grote stap. Haar laars wiebelde en haar armen zwaaiden. Ze trok haar been snel terug. De stap was te groot.
Een eend waggelde langs. Hij zocht wormen aan de rand. "Kwak," zei hij, en hij keek niet eens naar Noor.
Noor probeerde iets anders. Ze liep op haar tenen langs de rand. Maar de laarzen waren nieuw en stijf, en ze wiebelde nog meer. Bijna lag ze op haar neus.
Toen hoorde ze achter zich het hek in de wind: "Doo-re-mie, doo-re-mie."
Noor keek naar de plas. Het water bij de rand was ondiep. Je kon er best in lopen, als je kleine stapjes nam.
"Doo," zei ze, en ze zette een voet in het water. Stamp.
"Re," en de andere voet. Stamp.
"Mie!" Stamp, stamp, plons! Elke stap ging een beetje steviger. Haar laarzen wiebelden niet meer.
Zo kwam ze in het midden. Daar tilde ze haar been heel hoog op en stampte met een enorme plons.
Het water vloog omhoog en kwam neer op de eend.
"Kwaaak!" riep de eend. Hij schudde zijn veren uit en keek heel boos. Toen dook hij in de plas, vlak naast Noor.
Noor lachte. De kringen gingen wijd uit over het water. Haar laarzen stonden stevig op de bodem, en achter haar zong het hek zachtjes verder: doo-re-mie.