Naar de inhoud springen

Lichaam & zintuigenNederlands

Fien en de verstopte hatsjoe

"Nu moet ik heel stil zijn," fluisterde Fien.

Ze zat in het hoge gras van de wei. Het was nacht, en overal knipperden vuurvliegjes, eerst hier en dan daar. Opa had gezegd: "Als de maan boven de wilg staat, knipperen ze allemaal tegelijk." Dat wilde Fien zien. Ze had er de hele dag op gewacht.

De maan kroop omhoog. "Tien, negen, acht," telde Fien zachtjes.

Toen kriebelde haar neus. Er zat een grassprietje tegen. Een hatsjoe kwam eraan, een hele harde. Die zou alle vuurvliegjes wegblazen!

Fien kneep haar neus dicht. De kriebel bleef. Ze drukte met haar vinger onder haar neus. De kriebel werd groter. "Zeven," fluisterde ze met een piepstem. "Zes."

Een klein vuurvliegje landde op haar knie. Het knipperde één keer en bleef zitten. Het wachtte ook op de maan, want het wilde straks bij zijn vriendjes zijn.

Fien keek om zich heen. Over de wei lag mist, laag en wit als melk. In deze wei hield de mist alles vast wat erin achterbleef, tot het ochtend werd. Dat wist iedereen. Opa liet er soms zijn pet in liggen.

Fien kreeg een idee. Heel voorzichtig boog ze zich voorover, tot haar neus in de mist hing.

"Hatsjoe!"

Het was een enorme nies. Maar de mist slokte hem op, zacht als een kussen. Het gras bewoog niet eens. Het vuurvliegje op haar knie wiebelde maar een heel klein beetje.

Fien keek omhoog. De maan stond boven de wilg.

"Drie," fluisterde ze. "Twee. Een."

Het hele veld ging aan. Duizend lichtjes knipperden tegelijk, en het gras glom als een sterrenhemel op de grond. Fien hield haar adem in.

Het kleine vuurvliegje tilde zijn vleugeltjes op en vloog naar de anderen. Uit de mist kwam heel zachtjes: "tsjoe". Daarna was het stil, en de lichtjes bleven knipperen.