Vriendschap & vriendelijkheidNederlands
Fien en het rode emmertje
In de haven dobberden kleine bootjes in de mist.
Fien zat op de kade met haar rode emmertje. Ze wilde een vijver graven in het zand, voor haar papieren bootje. Dat wilde ze het allerliefst.
Boven op de schuur kraaide de haan van de havenmeester. "Kukeleku! Drie uur! Twee uur! Eén uur!" In de mist kraaide hij altijd achterstevoren. Niemand keek ervan op.
Fien schepte water in haar emmertje. Toen kwam Bram aanlopen met zijn schepnet.
"Mag ik jouw emmer even?" vroeg hij. "Ik heb een krab gevangen. Hij moet in het water."
"Nee," zei Fien. "Mijn emmer is voor mijn vijver." Ze hield hem stevig vast.
Bram zei niets. In het net tikte de krab: tik, tik, tik.
Fien tilde de volle emmer op en liep naar het zand. Maar ze struikelde over een touw. Plons! Het water werd een plas op de kade.
Ze schepte opnieuw. Ze liep weer. Plons! Weer een plas.
"Dan doe ik het met twee handen," mompelde ze. Maar de emmer was zwaar en het water klotste over de rand. Plons! Nog een plas.
Fien zuchtte. Ze keek naar Bram. Hij stond bij zijn net en keek naar de krab. De krab tikte nu heel zachtjes.
Toen keek Fien naar het hengsel van de emmer. Er pasten wel vier handen aan.
"Bram," zei ze, "wil je de emmer met mij delen? Pak jij die kant maar."
Bram pakte het hengsel vast. Fien pakte de andere kant. "Samen stappen," zei ze. "Links, rechts, links, rechts."
Ze liepen langzaam over de kade. Er klotste niets uit. Bij het zand goten ze het water in de vijver die Fien had gegraven. Bram liet zijn krab erin glijden, en Fien zette haar papieren bootje erbij.
De krab tikte tegen de rand: tik, tik, tik. Het bootje wiegde heen en weer, vlak naast hem.
Op de schuur kraaide de haan: "Nul uur!"
Fien en Bram lachten allebei.