Naar de inhoud springen

Vriendschap & vriendelijkheidNederlands

Plek genoeg onder de boom

“Kijk, de mooiste plek van de hele wei!” riep Fien.

Ze had een mand met appels en een rode picknickdeken. Ze wilde onder de grote boom zitten, in de koele schaduw. De boom was zo breed als een paraplu voor een reus.

Maar op het mooiste plekje zat al iemand. Het was Das Toon, met een theepot en een klein kopje.

“Dag Fien,” zei Toon. “Ik drink hier elke middag mijn thee.”

Fien trok een boos gezicht. “Ik wil daar zitten.”

Toon zuchtte. “Ik zou wel willen delen, maar ik ben mijn hoed kwijt. Kijk, hij hangt in de boom. Zonder hoed krijg ik zonnekriebels op mijn neus.”

Fien keek omhoog. De hoed zat hoog op een tak, als een nest.

Ze sprong. Te laag. Ze sprong nog eens. Nog te laag.

Toen pakte ze een stok en stak ermee omhoog. De hoed bewoog niet. Er viel wel een appel uit de boom, vlak op Toons hoofd. Boink!

“Au,” zei Toon, en toen moest hij lachen. Fien ook.

Fien keek naar de appel in haar hand. Ze keek naar de hoed. Ze keek naar Toon, die zijn neus beschutte met zijn pootje.

“Ik heb een idee,” zei ze.

Ze mikte en gooide de appel omhoog, langs de tak. Plof! De hoed schoof een stukje. Ze gooide nog een appel. Plof! De hoed wiebelde, gleed van de tak en dwarrelde naar beneden, recht op Toons kop.

“Dank je wel,” zei Toon. Hij schoof een stukje op. “Er is plek genoeg onder deze boom.”

Fien spreidde haar deken uit, naast de theepot. De zon viel in vlekjes door de bladeren. Toon schonk een tweede kopje in. Fien beet in een appel, krak, en boven hen ritselden de bladeren zachtjes mee.