Naar de inhoud springen

Vriendschap & vriendelijkheidNederlands

Zoemen over de heg

In de moestuin staan rijen bonen, en rondom groeit munt en tijm. De bijen zoemen er de hele dag.

Noor staat tussen de bonen. Gisteren is er een jongen in het huis ernaast komen wonen. Ze heeft hem door de heg gezien. Noor wil dat hij haar vriendje wordt. Ze wil hem iets vragen.

Ze zet haar mond bij de heg. "Kom je spelen?" roept ze.

Het blijft even stil. Dan klinkt er een stem. "Wat zeg je? Komt er een peer?"

Noor schudt haar hoofd. Dan voelt ze iets tegen haar hand. Er schuift een stuk peer door de heg.

"Alsjeblieft!" zegt de stem. "Het is maar de helft. De andere helft heb ik al op."

Noor moet lachen, maar ze eet niet. "Nee, ik bedoel: kom je spelen?" roept ze harder.

"Een pelen? Ik heb geen pelen!"

Noor zucht. De bijen zoemen zo hard in de munt, dat alle woorden in de war raken. Ze probeert het nog een keer, nog harder. Het helpt niet.

Dan houdt ze haar mond dicht en luistert. Aan de andere kant hoort ze een zacht geluid. Het is de jongen, hij zoemt zelf een beetje, als een bij.

Noor krijgt een idee. Ze zoemt terug. "Zzzzoem."

"Zzzoem?" zoemt de jongen.

"Zzzoem, zzzoem."

"Zzzoem, zzzoem!"

Er ritselt iets in de heg. Tussen de takken door komt een gezicht met twee armen wijd, als vleugels. "Ik ben Daan," zegt hij. "Ik ben een bij. Jij ook?"

"Ja," zegt Noor. "Kom je spelen?"

Dit keer hoort hij het goed.

Samen vliegen ze tussen de bonen, zzzoem, zzzoem, en de echte bijen zoemen mee. Het halve stuk peer ligt in Noors zak, en het ruikt naar tijm.