Naar de inhoud springen

Familie & thuisNederlands

Zeefhoed voor de plantjes

Het was een warme ochtend in Opa’s kas.

Noor stond op een krukje bij de lange tafel. Daar stonden potjes vol kleine plantjes, zo klein als een vingernagel. Opa moest het hek in de tuin verven.

“Vandaag zorg jij voor de plantjes,” zei hij. “Ze hebben water nodig. Maar heel zachtjes.”

“Zachtjes, zachtjes,” zei Noor. Ze wilde het goed doen.

Ze pakte de gieter. Maar het kopje met gaatjes zat er niet op. Dat was kwijt. Plons! Een dikke straal viel in het eerste potje en het plantje lag om.

“Oei.” Noor zette het weer recht en duwde de aarde aan.

Toen probeerde ze een lepel. Eén druppel, nog één druppel. Na tien potjes was haar arm moe, en de zon werd heet op het glas. Dit duurde veel te lang.

Buiten riepen kraaien: “Kra! Kra!” Noor keek door het glas. Op het hek landden drie kraaien. In de tuin draaide de vogelverschrikker zich met een kriek naar het hek. Daarna vlogen de kraaien naar de bonenstokken, en de vogelverschrikker draaide met een kriek mee. Niemand vond dat gek. Het deed hij altijd.

Op zijn hoofd zat een oude zeef als hoed. Noor zag de gaatjes en de zon die erdoor scheen.

Ze rende naar buiten. “Mag ik je hoed even lenen?”

Kriek, deed de vogelverschrikker. Hij draaide zijn hoofd naar haar toe. Dat was vast ja.

Noor hield de zeef boven de potjes en goot de gieter erboven leeg. Het water viel als zachte regen. Geen plantje ging om.

“Zachtjes, zachtjes,” zei ze bij elk potje.

Buiten zaten de kraaien nu op het natte pad, want daar kwamen de wormen. Opa stak zijn hoofd om de deur en zag de glimmende blaadjes. Noor hoorde alleen nog het druppelen: tik, tik, tik.