Naar de inhoud springen

Familie & thuisNederlands

De Kaars die Langzaam Brandde

Op de tafel in oma's keuken stond een kaars, en de vlam bewoog bijna niet als Fien ernaar keek.

Fien was een hele dag bij oma. Mama was aan het werk. Oma had de kaars aangestoken en gezegd: “Als hij zo klein is als het blauwe streepje, staat mama voor de deur.”

Fien miste mama. Daarom ging ze op haar stoel zitten en keek naar de kaars. Ze keek heel goed.

De kaars werd niet kleiner.

“Hij is nog steeds even lang,” zei Fien.

“Ja,” zei oma, en ze rolde deeg uit voor appelkoek. “Die kaars brandt langzaam als je kijkt. Dat doet hij altijd.”

Fien keek nog harder. Ze trok een scheef gezicht. De vlam stond stil, stil als een slak.

“Nog steeds even lang,” zuchtte ze.

Toen kreeg ze een idee. Ze draaide haar stoel om, met haar rug naar de kaars. “Oma, mag ik helpen?”

“Natuurlijk. Pak de appelschijfjes maar.”

Fien legde schijfjes in een rij. Eén schijfje glipte weg en viel in de kom met suiker. Floep! Suiker stoof door de lucht, op Fiens neus en op oma’s schort. Oma lachte zo hard dat haar bril schudde. Fien lachte mee en blies de suiker van haar neus.

Ze strooide kaneel. Ze mocht de bodem prikken met een vork. Prik, prik, prik.

Toen ze zich omdraaide, stond de vlam bijna bij het blauwe streepje.

“Oma! Hij is bijna klein!”

“Wat een snelle kaars,” zei oma.

Buiten kraakte het grind. De bel ging, ding-dong. Fien rook kaneel en warme appel, en ze rende door de gang naar de deur.