Naar de inhoud springen

Familie & thuisNederlands

Nieuwe kamer, Kwak

“Mees, de verhuiswagen is leeg!” riep Papa, en Mees rende de trap af om zijn eend te zoeken.

De trap in het nieuwe huis was langer als je naar beneden ging dan als je naar boven ging. Naar beneden waren het twaalf treden, naar boven maar negen. Daar keek niemand van op. Mees ook niet.

Beneden stonden wel dertig dozen. Ergens zat Kwak, zijn gele badeend. Kwak sliep altijd bij hem. Zonder Kwak was de nieuwe kamer geen echte kamer.

Mees trok aan een stuk plakband. In de doos zaten pannen.

“Niet deze doos,” zei hij.

Hij opende de volgende. Boeken.

“Niet deze doos.”

De derde zat vol sokken. Mees zuchtte. Hij riep: “Kwak! Waar ben je?” Maar een eend in een doos kan niet terugroepen.

Papa kwam langs met de bank. “Zoek maar rustig, jongen. Ik moet eerst dit ding naar binnen krijgen.”

Mees keek naar de dozen. Nog tweeëntwintig te gaan. Dat duurde te lang.

Toen bedacht hij iets anders. Hij ging heel stil staan en hield zijn adem in. Hij luisterde.

Papa schoof met de bank door de gang. Boem! De bank stootte tegen de dozen. Alles schudde een beetje.

En uit de hoogste stapel kwam een zacht geluid.

“Kwak.”

Mees keek omhoog. “Papa! Stoot nog een keer!”

“Wat?”

“Nog een keer! Heel zachtjes!”

Papa lachte en liet de bank nog eens tegen de stapel tikken. Tik.

“Kwak!”

Mees klom op een lege kist en trok aan de bovenste doos. Daar lag Kwak, tussen zijn pyjama en zijn tandenborstel.

Mees drukte Kwak tegen zich aan. Daarna liep hij de trap op, negen treden, naar zijn kamer. Hij legde Kwak op het kussen en kneep één keer in zijn buik.

“Kwak,” zei Kwak, en dat klonk precies zoals thuis.