Naar de inhoud springen

Familie & thuisNederlands

Mien en de zingende brug

Mien de eend waggelde over de brug, met haar eendjes in een rij achter zich aan. Onder elke stap zoemde de brug een ander toontje. Dat vond niemand gek. Zo was de brug nu eenmaal.

„Kom maar, kinderen," zei Mien. „Aan de overkant is het water. Daar gaan we zwemmen."

Aan het eind van de brug draaide ze zich om en telde. „Een, twee, drie, vier." Vier? Er hoorden er vijf te zijn! Pim was weg.

„Pim!" riep Mien. Niemand antwoordde.

Op een gladde steen zat een kikker in de zon. „Heb jij Pim gezien?" vroeg Mien.

„Kwak, nee," zei de kikker. „Ik zit hier voor de zon. Niet voor eendjes."

Mien zocht langs de oever. Ze keek tussen de stenen en onder de hangende wilgentakken. Geen Pim. Ze riep nog eens, harder. Weer niks.

Mien bleef stilstaan. Toen hoorde ze iets onder haar poten. De brug zoemde, heel zacht en heel hoog. Ting... ting... ting. Het trilde, als een klein bang pootje.

Ze keek naar het donkere hoekje onder de brug. Daar ging Mien nooit heen. Het was er zwart en koud. Haar hart ging ook een beetje ting-ting.

„Pim?" zei ze zacht. „Ik kom eraan."

Ze stapte het donker in. Onder haar zware poten zoemde de brug een laag toontje: boem, boem. Achter een paal zat Pim, klein als een bolletje.

„Ik zag een glimsteentje," fluisterde hij. „Toen was het ineens zo donker. Ik durfde niet meer terug."

„Ik vind het hier ook donker," zei Mien. „Maar kom, we lopen samen. Jij tingt, ik boem."

Zo liepen ze het hoekje uit. Boem, ting. Boem, ting. In het licht stonden de andere eendjes al te wachten.

„Een, twee, drie, vier, vijf," telde Mien.

Plop, plop, plop, plop, plop. Een voor een sprongen ze in het water. Pim deed het laatst, en de kringen werden groter en groter, tot ze zachtjes de gladde stenen raakten.