Naar de inhoud springen

Familie & thuisNederlands

Het vier-uurtje

In het gras zat een bloem die nog dicht was, als een kleine vuist.

Lot kende hem goed. In deze tuin gaat elke bloem op zijn eigen uur open. De gele om acht uur, de paarse als de thee klaarstaat. En deze om vier uur precies.

Lot wil de bloem aan Fien laten zien. Fien is haar nieuwe zusje. Ze is pas drie dagen thuis en ze is zo klein als een brood.

Lot rent naar binnen. Fien slaapt in de wieg.

“Mag ik haar meenemen naar de tuin?” fluistert ze.

“Nog niet,” zegt Mama zacht. “Je mag haar nog niet optillen.”

“Maar het is bijna vier uur!”

“Nog niet, Lot.”

Lot probeert het. Ze fluistert in Fiens oor: “Word wakker, er is een bloem.” Fien slaapt door. Lot kietelt haar teen. Fien trekt een gek gezicht en zegt: “Hik!” Dan slaapt ze weer.

Lot gaat op de grond zitten. Ze kijkt naar Fiens hand. Die is ook dicht, een klein vuistje naast haar wang. Net als de bloem.

Dan klinkt de klok in de gang. Fien doet haar mond open en begint te huilen. “Ie-ie-ie!” Ze heeft honger.

Mama tilt haar uit de wieg. Lot heeft ineens een idee.

“Mama, jij draagt Fien, en ik loop voorop. Dan hoef ik haar niet op te tillen!”

Mama glimlacht. “Dat is een goed idee.”

Zo gaan ze met zijn drieën de tuin in. Lot loopt voorop en wijst de weg. Ze stoppen bij het gras.

Het is stil. Fien huilt niet meer.

Dan gaat de bloem open, heel langzaam, met een zacht “pop”. Vier roze blaadjes. Fien kijkt ernaar met grote ogen.

Lot steekt haar vinger uit. Fiens vuistje gaat open, net als de bloem, en dan klemmen vijf kleine vingers zich om die van Lot. Ze zijn warm en ze knijpen een beetje.