Naar de inhoud springen

Eerste kerenNederlands

Noor en de scheve boom

Noor was de enige in het hele dorp die haar eigen liedje nog niet kende.

In dat dorp floot elke ketel een ander deuntje voor wie hem vulde. Papa kreeg een vrolijk deuntje. Oma kreeg een langzaam. Maar thuis stond de ketel te hoog voor Noor. Op school stond er een ketel op haar hoogte. Vandaag was haar eerste schooldag, en ze wilde die ketel vullen.

De school zat in een boomhuis, hoog in een scheve boom. Een touwladder hing naar beneden. Noor pakte de onderste sport, maar die zat te hoog.

“Een stukje te kort,” zei Noor.

Ze sprong. Ze greep mis. Ze sprong nog eens en viel op haar billen in het gras.

Toen pakte ze een stok en wilde de ladder naar zich toe haken. De ladder zwaaide weg, en weer terug, en weer weg. “Een stukje te kort,” zei Noor, en nu klonk het bijna als huilen.

Een eekhoorn kwam voorbij. Hij had een dikke eikel in zijn bek en hij had haast. Hij keek niet naar Noor en ook niet naar de ladder. Hij rende gewoon langs de scheve stam omhoog, tikketik, helemaal naar zijn nest.

Noor keek hem na. De boom leunde. Hij leunde zo ver dat de stam bijna een hele lange glijbaan was, maar dan andersom.

“Oh,” zei Noor.

Ze ging op handen en voetjes op de stam staan. Langzaam kroop ze omhoog, langs de eekhoorn, langs de bladeren, tot ze bij het luikje van het boomhuis was.

Juf tilde haar naar binnen. “Welkom, Noor.”

Noor hield de ketel onder de kraan. Het water klotste. De ketel begon te zingen. Eerst kwam er een piepje, pieeep, dat helemaal verkeerd was. Alle kinderen lachten. Toen vond de ketel het goede deuntje, zacht en een beetje huppelend.

“Dat ben ik,” fluisterde Noor, en ze floot zachtjes mee.