Naar de inhoud springen

Seizoenen & weerNederlands

Noor en het rollende zaadje

"Dit zaadje wil in de aarde," zei Opa, en Noor rende met het zaadje in haar hand de tuin in.

Noor was vier. Ze wilde een zonnebloem, zo groot als Opa. Opa zat op zijn stoel met zijn koffie, want dat was zijn plekje in de ochtend.

Noor drukte een kuiltje in de aarde en legde het zaadje erin. Het zaadje rolde eruit. Het rolde over de rand en bleef in het gras liggen.

"Blijf maar even liggen, zaadje," zei Noor. Ze legde het terug. Rol, rol, daar ging het weer.

Noor dacht na. Ze pakte een lepel en maakte een diepere kuil. Het zaadje ging erin. Maar de aarde was droog en kruimelig. Zand gleed van de randen, en weg was het zaadje.

"O nee," zei Noor. "Waar ben je nou?"

Naast haar bewoog de grond. Een regenworm stak zijn kop omhoog. Hij wilde helemaal niet met Noor spelen. Hij wilde naar de natte plek onder de gieter, waar het druppelde. Hij kronkelde langs haar schoen en verdween weer.

Noor keek naar de natte plek. De aarde daar was donker en plakkerig. Een klein klontje bleef zomaar aan haar vinger zitten.

"Ah," zei Noor.

Ze vond het zaadje terug en maakte een nieuw kuiltje. Ze goot er een scheutje water in. Plop! zei het water. Toen legde ze het zaadje op de natte aarde. Het rolde niet. Het bleef liggen alsof het er al heel lang woonde.

"Blijf maar even liggen, zaadje," fluisterde Noor. Ze schoof de aarde erover en klopte haar zachtjes plat.

Opa kwam kijken. "Goed gedaan," zei hij. Hij zei verder niets, en dat vond Noor mooi.

Aan het eind van de middag werd de lucht roze. De wolken schoven langzaam heen en weer, tot ze precies de vorm hadden van Opa's grote hoed van gisteren. Noor zat naast het natte plekje op haar hurken en keek hoe de aarde donker bleef glanzen.