Naar de inhoud springen

Eerste kerenNederlands

Sam, Floep en de dokter

„Sam, we gaan naar de dokter”, zei mama. Sam pakte meteen haar konijn Floep van het kussen.

Floep ging overal mee. Sam wilde dat de dokter ook naar zijn hartje luisterde. Dat vond ze eerlijk.

Ze liepen door het dorp. Sams schaduw kwam een eindje achter haar aan, want schaduwen komen pas om twaalf uur bij hun mensen. Dat weet iedereen.

Bij de deur van de dokter keek Sam omlaag. Haar arm was leeg.

„Floep is weg!”

„We moeten naar binnen”, zei mama. „De dokter wacht.”

„Niet zonder Floep.”

Eerst keek Sam in mama’s tas. Er zat alleen een appel in en een zakdoek. Toen keek ze onder de stoel in de wachtkamer. Daar lag een stofbolletje, meer niet.

Sam dacht na. Toen kreeg ze een idee. „We lopen terug. Stap voor stap.”

Dus liepen ze terug, precies zoals ze gekomen waren. Langs de bakker. Over de brug. Dwars door de plas, plons! Haar schaduw keek toe en liep langzaam mee.

Bij het bankje bleef Sam stokstijf staan. Daar zat een mus op Floep. Het vogeltje trok aan zijn oor en trok een pluisje los.

„Hé, dat is Floep!” riep Sam.

„Tjilp!” zei de mus. Hij had het pluisje nodig voor zijn nest. Hij pakte het stevig vast en vloog weg.

Sam tilde Floep op. Zijn ene oor was een beetje kaal geworden. „Je bent nog steeds mijn Floep”, zei ze.

Stap voor stap liepen ze weer terug, over de brug, langs de bakker, naar de dokter.

Nu mocht Sam op de hoge stoel zitten. De dokter hield het luisterding tegen haar borst. Het was zo koud als een ijsblokje. Sam hoorde: boem-boem, boem-boem.

Daarna hield de dokter het tegen Floeps buik.

„Ik hoor niets”, zei de dokter. „Maar ik denk dat hij een heel stil hartje heeft.”

Sam hield Floep dicht tegen zich aan. Ze voelde haar eigen hartje kloppen, boem-boem, tegen zijn zachte oren.