Eerste kerenNederlands
Noor en de rode fiets
"Nu doe ik het zelf," zei Noor.
Opa had net de zijwieltjes van haar fiets gehaald. Ze lagen in het gras, als twee kleine vergeten wieltjes. Noor wilde fietsen tot aan de grote eik, aan het eind van het pad. Zonder dat iemand haar vasthield. En liefst voordat het ging regenen, want boven de daken hing al een grijze wolk.
Opa ging in zijn tuinstoel zitten. De stoel begon meteen zachtjes heen en weer te schommelen, zoals hij altijd deed als er iemand in had gezeten. Niemand vond dat gek.
"Ik kijk alleen maar," zei Opa. "Ik moet de erwten doppen."
Noor duwde af. Wiebel, wiebel, plof. Ze lag in het gras.
Ze probeerde het nog eens, met hard trappen. Wiebel, wiebel, plof.
Ze probeerde het heel langzaam, met haar voeten bijna op de grond. Wiebel, plof.
Noor ging op de stoeprand zitten. Ze keek naar haar voorwiel. Het draaide scheef heen en weer.
"Het wiel wiebelt altijd als ik ernaar kijk," zei ze zacht.
Ze keek op. Daar stond de eik, ver weg en heel stil. Die wiebelde niet.
Noor stapte weer op. "Kijk vooruit, Noor," fluisterde ze. Ze zette af en trapte. Het stuur werd rustig, alsof het opeens wist waar het heen moest. Het pad gleed onder haar door.
Er viel een druppel op haar neus. Nog een. Noor trapte door. Per ongeluk drukte ze met haar duim op de bel. Tring!
"Kijk vooruit, Noor," zei ze nog een keer, en ze reed onder de eik door.
Daar stond ze stil, met haar voeten op de grond. De regen tikte op de bladeren boven haar. Het voorwiel draaide nog even zachtjes door, tik, tik, tik.
Ver weg in de tuin zat niemand meer in de tuinstoel. Hij schommelde nog steeds, heen en weer, heen en weer.