Beroepen & buurtNederlands
Piepkuiken in het hooi
"Piep, piep," hoorde Fien achter de schuur, en ze zette haar mandje neer om te gaan kijken.
Fien was op de boerderij om eieren te rapen. Ze had er zes nodig. Opa ging pannenkoeken bakken, en voor pannenkoeken heb je zes eieren nodig. Vijf lagen al in het mandje, zacht in het stro.
"Piep, piep."
"Waar zit je toch?" vroeg Fien.
Ze keek onder de kruiwagen. Niets. Ze keek in de gieter. Alleen een spin. Ze stak haar hand in het hooi en kreeg een prikkende neus van het stof.
"Piep."
Fien fronste. Zoeken hielp niet. Dus ging ze anders doen. Ze ging op een omgekeerde emmer zitten, deed haar ogen dicht en hield zich heel stil.
Het geluid kwam uit het hokje van de oude kip Bruintje. Bruintje zat al de hele dag op één plek. Ze liet zich niet wegduwen en ze keek Fien boos aan.
"Ik wil alleen dat zesde ei," fluisterde Fien. "Voor de pannenkoeken."
Bruintje bleef zitten. Maar onder haar veren wiebelde iets. Fien zag een stukje schaal, klein als een boon. Ze legde haar vinger erbij. Het ei was warm als een broodje uit de oven.
"Piep, piep," zei het ei.
Fien lachte. Het geluid kwam uit het ei zelf!
"Jij bent geen pannenkoek," zei ze zacht. "Jij bent een kuiken."
Ze liep terug naar haar mandje en telde nog eens. Vijf. Ze ging weer naast Bruintje zitten, want ze wilde toch weten hoe het afliep.
Krak, zei de schaal.
Er kwam een snaveltje door, zo klein als een korrel rijst. Bruintje schudde haar veren en klokte heel zacht. Het natte kuikentje viel in het warme stro, en het piepte nog één keer, hoog en dun, vlak bij Fiens oor.