Beroepen & buurtNederlands
Bram en de grote helm
Bram was de kleinste brandweerman van het dorp, en hij was de enige met een helm die steeds over zijn ogen zakte.
Vandaag was een drukke dag. De haan op het dak van de kazerne draaide en draaide. Hij wees altijd naar de plek waar iemand hulp nodig had. Niemand vond dat gek. Zo was het al jaren.
“Een drukke dag, een drukke dag,” zong Bram.
Vanochtend had Joris op de sirene mogen drukken. Nu was het de beurt van Bram. Dat wist Joris zelf ook. “Ga maar,” zei hij, en hij schoof de knop naar hem toe.
Bram schoof zijn helm omhoog. Hij hield zijn adem in. Dan drukte hij.
Wie-oe, wie-oe, wie-oe! Wat was dat hard! Bram deed zijn ogen dicht. Toch reed de wagen weg.
Bij het huis van mevrouw Aal stond een poesje op het dak van het schuurtje. Het zat heel hoog en het miauwde heel zielig.
“Ze hoort me niet meer,” zei mevrouw Aal. Ze hield een leeg bakje in haar handen.
Bram zette de ladder neer. Hij klom omhoog. “Kom maar, poes!” Maar het poesje rende naar de nok van het dak.
Bram probeerde het nog eens. Hij riep wat zachter, hij wuifde met zijn handschoen. Het poesje ging nog verder weg.
Bram bleef staan. Zijn helm zakte over zijn ogen. Hij schoof hem terug en zag hoe de oortjes van het poesje platgingen. Ze gingen plat bij elke harde klank. De sirene had haar bang gemaakt!
“Mag ik dat bakje even?” vroeg Bram.
Hij ging op de ladder zitten, heel stil. Met zijn lepeltje tikte hij zachtjes op het bakje. Tik-tik-tik. Tik-tik-tik.
Eerst gebeurde er niets. Toen kwam er een roze neusje over de dakrand. Het poesje liep het dak af, stapje voor stapje, en kroop in zijn armen.
Ze kroop zelfs onder zijn grote helm. Het was daar warm en donker. En Bram hoorde een heel zacht geluid, dicht bij zijn oor: brrr, brrr, brrr.