Naar de inhoud springen

Beroepen & buurtNederlands

Fien en het knisperbrood

Fien hoorde de bakker roepen: "Vers brood!" en ze rende zo hard ze kon naar de bakkerij.

Opa zat thuis te wachten. Hij had de boter al op tafel gezet. Fien wilde hem een warm brood brengen, met een bruine korst en een zachte buik. Haar muntjes zaten stevig in haar vuist.

De bakker haalde een brood uit de oven. Het rook zo lekker dat Fiens maag ervan rommelde.

"Mooi, hè?" zei de bakker. "Maar nog niet pakken. Het is veel te heet. Wacht maar tot het knispert."

Fien keek naar het brood. Het stond op het rooster en er kwam stoom vanaf.

"Hoe lang duurt dat?"

"Even," zei de bakker, en hij liep weg om zijn handen te wassen.

Fien blies op het brood. "Foef, foef, foef!" Er stoof meel omhoog. Nu had ze een witte neus. Het brood was nog net zo heet.

Ze pakte haar muts en wapperde ermee. Het brood bleef gewoon stomen.

Op de warme plank naast de oven lag Mol, de poes van de bakker. Hij lag daar elke ochtend, omdat het daar zo lekker warm was. Hij trok zijn oren naar achteren en keek haar boos aan, want het meel waaide in zijn snorharen.

Toen voelde Fien een koel windje op haar wang. Het kwam van het open raam.

"Mag het brood op de vensterbank?" vroeg ze.

"Goed idee," zei de bakker.

Fien tilde het brood voorzichtig op haar muts en zette het in de wind. Ze luisterde.

Tik. Tik. Krak!

Het brood begon te knisperen, heel zacht, als pas gevallen sneeuw onder een laars.

"Nu mag het," zei de bakker.

Fien droeg het brood naar buiten. Het was warm tegen haar arm, en de korst zong nog een beetje: tik, tik, krak.