Naar de inhoud springen

Seizoenen & weerNederlands

De kikker en het bootje

In een oude gele laars in opa's werkplaats zat een kikker. Fien zag zijn twee ronde ogen boven de rand.

"Hallo," zei ze. "Wat doe jij hier?"

"Kwak," zei de kikker. Buiten viel de regen. Tik, tik, tik, op het dak.

Fien wilde het bootje laten varen dat opa half af had. Het was een smal stuk hout met een stokje als mast. Ze wilde het laten varen op de grote plas in de tuin. Maar het papier met de uitleg was zoek. Opa wist niet waar het was.

Ze zette het bootje in de plas. Het kantelde meteen. Plop! Het lag op zijn zij.

Fien viste het eruit. Ze legde een steen onderin, voor het gewicht. Ze zette het bootje weer neer. Glub, glub, glub. Het zonk als een steen. Het was ook een steen, bijna.

"Hm," zei Fien. Haar laarzen waren nat en haar neus was koud.

De kikker was achter haar aan gehuppeld. Nu zat hij op een groot, plat blad dat op de plas dreef. Het blad schommelde een beetje, maar het kantelde niet. Hij keek over het water naar de heg aan de overkant. Daarachter was de vijver. Daar wilde hij naartoe, dat kon Fien wel zien.

Fien keek naar het blad. Het was breed en plat. Dat was het! Haar bootje was te smal.

Ze rende naar de werkplaats. Daar lag een brede plank. Ze zette het stokje er recht op, met een klont klei. Toen zette ze de plank voorzichtig in de plas.

Hij bleef drijven. Hij kantelde niet.

De kikker sprong er meteen op. Fien gaf een duwtje. Tik, tik, tik, zei de regen. Het bootje gleed over de plas, helemaal tot de heg.

Plop! De kikker was weg. Fien zag de kringen in het water groter en groter worden.