Naar de inhoud springen

Seizoenen & weerNederlands

Fien en de sneeuwvlok

“Het sneeuwt!” riep Tom vanuit de gang. Fien liet haar boterham vallen en rende naar het raam.

Op de vensterbank stonden potten, grote en kleine. In de allerkleinste woonde een groen plantje. Fien had het zelf gezaaid.

“Dat plantje heeft nog nooit sneeuw gezien,” zei ze. “Ik vang een vlok voor hem.”

Ze deed het raam op een kier en stak haar hand naar buiten. Een vlok dwarrelde naar haar toe. Bijna! Maar hij landde op haar vinger en werd een druppel.

“Weg,” zei Fien.

Ze pakte een lepel. Een nieuwe vlok danste langs de rand. Bijna! Toen blies de wind: pf! En de vlok was weg.

“Mag ik nu?” vroeg Tom. “Jij had al twee keer.”

Fien dacht na. “Dat klopt. Nu jij.”

Tom stak zijn hand naar buiten. Hij had zijn rode wanten al aan. Een vlok, nog een vlok, nog een vlok.

“Ik vang niks,” zei Tom. “Ze worden steeds nat.”

Maar Fien keek naar zijn want. Op de rode wol lagen kleine witte stipjes. Ze bleven liggen. Ze smolten niet.

“Tom! Kijk dan!”

“Oh,” zei Tom. “Mijn want houdt ze vast!”

“Mijn handen zijn te warm,” fluisterde Fien. “Een want is koud genoeg.”

Ze trok haar eigen want aan en hield hem buiten het raam. Heel stil. Een vlok landde op de wol. Fien hield haar adem in. Heel langzaam bracht ze haar hand naar binnen, naar de allerkleinste pot.

Ze tikte zachtjes met haar want tegen het blaadje. Tik, tik.

Daar zat de vlok. Wit en klein, midden op het groene blad. Hij bleef liggen.

“Hij is er,” zei Tom.

Buiten viel de sneeuw zonder geluid. Fien en Tom stonden naast elkaar, met hun neuzen bijna tegen het glas, en keken naar het kleine witte stipje op het blad.