Dieren & natuurNederlands
Bram en de achterstevoren haan
„Ukelekuk!" hoorde Bram buiten, en hij trok de deken over zijn oren.
Bram was een klein beertje en hij was zó slaperig. Hij had de hele nacht naar sterren gekeken. Nu wilde hij maar één ding: slapen tot de zon boven de bomen stond.
Maar het was een mistige ochtend. Op mistige ochtenden kraaide de haan van de boerderij achterstevoren. Dat wist iedereen in het dorp, en niemand vond het gek.
„Ukelekuk! Ukelekuk!"
Bram legde zijn kussen op zijn hoofd. Dat hielp niet. Hij kroop naar het andere eind van zijn bed. Dat hielp ook niet.
„Ukelekuk!"
Toen deed Bram zijn pantoffels aan en liep naar buiten. De mist lag als een dikke witte deken over het gras. Op het hek stond de haan, met zijn borst vooruit.
„Haan," zei Bram, „kun je alsjeblieft stiller kraaien? Ik wil slapen."
„Dat kan niet," zei de haan. „De mist is te dik. Als ik niet hard kraai, hoort de zon me niet. Dan wordt ze niet wakker."
Bram wilde iets zeggen, maar er kwam een enorme geeuw. Zijn mond ging wijd open, en eruit kwam: „Ukelekuuuk!"
De haan keek hem aan. Bram keek terug. Toen moesten ze allebei lachen.
Bram wreef in zijn ogen. En toen zag hij het. Hoog boven de mist was het wit een beetje geel. „Kijk," zei hij. „De zon is allang wakker. Ze ligt gewoon nog onder haar deken, net als ik."
De haan draaide zijn kop. Hij keek lang naar het gele plekje. „Oh," zei hij zacht.
„Dan hoef je niet zo hard," zei Bram.
De haan knikte. Hij kraaide nog één keer, heel zacht en heel langzaam: „Ukelekuk…"
Bram kroop terug in zijn bed. De deken was nog warm. Buiten werd de mist langzaam goud, en het laatste wat Bram hoorde, was een zacht, zacht „ukelekuk", als een wiegelied.