Naar de inhoud springen

Dieren & natuurNederlands

Mies en de verdwenen loep

“Slaap lekker, Opa,” fluisterde Mies.

Opa lag in zijn stoel met zijn hoed op zijn buik. Op het tafeltje lag zijn grote loep. Dat is een glas waar alles groot van wordt. Mies mocht hem lenen, om de lieveheersbeestjes te bekijken. Maar ze had iets beloofd. “Leg hem terug voor ik wakker word,” had Opa gezegd.

Mies liep de tuin in. Daar zaten lieveheersbeestjes op de bladeren, op de bonen, op het hek. Ze waren zo rood als knopjes. Mies hield de loep voor één beestje. Wat een zwarte stippen! Zeven. Ze telde ze twee keer.

Toen kwam er een vlinder. Mies sprong op en rende erachteraan. Weg was de loep. Hij lag nergens meer.

“Waar ben je?” riep Mies.

Ze keek onder de bonenbladeren. Rood, rood, overal rood. Ze keek in de bloempot. Rood, rood, overal rood. In de verte klonk Opa’s gesnurk. Snurk-pfff. Snurk-pfff. Hij sliep nog, maar niet voor altijd.

Mies keek nog eens, en nu keek ze anders. Ze zocht niet naar iets groots. Ze zocht naar iets dat blonk. Rood is niet blinkend. Daar, bij het hek! Een kleine gele cirkel danste in het gras, als een munt van de zon.

Mies kroop erheen. Daar lag de loep, half onder een blad. Er zaten vier lieveheersbeestjes op het glas. Ze liepen rondjes, alsof het een glijbaan was.

“Mag ik hem even terug?” vroeg Mies zacht.

Eén beestje vloog weg, plop, de rest bleef zitten. Mies tilde de loep heel voorzichtig op en liep op haar tenen naar binnen. Ze legde hem op het tafeltje, precies waar hij lag.

Opa snurkte. Snurk-pfff. Een laatste lieveheersbeestje zat op de rand van de loep. Het wiebelde even met zijn vleugels, en toen vloog het zachtjes door het open raam naar buiten.