Naar de inhoud springen

Gevoelens & emotiesNederlands

Fien in de tomatenkas

"Ik zeg gewoon hoi," fluisterde Fien tegen haar laarzen.

Ze stond in opa's tomatenkas. Het was er warm en vochtig, en de ruiten zaten vol damp. Aan de andere kant van de rijen stond een meisje met een mandje. Ze heette Noor en ze was nieuw in het dorp. Fien wilde zo graag met haar spelen.

"Nog vijf tomaten, Noor," zei Noors papa. "Als de zon weg is, gaan we naar huis."

Fien had dus niet veel tijd.

Eerst probeerde ze het gewoon. Ze stapte naar voren en deed haar mond open. "Hoi," zei ze. Het kwam eruit als een klein muisje. Noor hoorde het niet. Fien dook weg achter de gieter.

"Hoi, hoi, hoi," oefende ze zachtjes. Toen probeerde ze iets anders. Ze plukte de dikste tomaat en hield hem omhoog. Maar ze kneep te hard.

Plop! De tomaat spatte open. Er zat een pitje op haar neus.

Noor keek om. Fien werd zo rood als de tomaat en rende weg tussen de planten. Haar hart bonkte. De zon zakte al.

Toen zag ze de ruit. Die was wit van de damp. Fien bleef staan. Ze stak haar vinger uit en tekende een lach in de damp.

Aan de andere kant van het glas kwam er ineens ook een lach. Het was een scheve, met een tong erbij. Noor stond aan de andere kant en grijnsde.

"Hoi," zei Fien. Nu kwam er een gewone stem uit.

"Hoi," zei Noor. "Je hebt een pitje op je neus."

Buiten ging de vuurtoren aan. Het licht gleed over de kas en schilderde het glas oranje, zoals elke avond een andere kleur. De twee lachjes in de damp gloeiden mee, en Fien hoorde Noors mandje zachtjes kraken met tomaten.