Naar de inhoud springen

Fantasie & verwonderingNederlands

Mees en de wasknijpers

Achter het huis stond een oude appelboom. Mees stond eronder met een grote deken in zijn armen.

Hij wilde een hut bouwen. Een hut met een dak, precies groot genoeg voor hem en zijn beer.

Mees gooide de deken over een lage tak. Plof! De deken gleed op de grond.

"Blijf nou liggen, deken," zei hij.

Hij probeerde het nog eens. Plof! Weer lag de deken in het gras.

Een bruine kip kwam voorbij. Ze zocht een rustig hoekje voor haar ei en ze keek niet eens naar Mees. "Tok," zei ze, en ze krabde in de aarde.

Mees haalde twee stoelen. Hij legde de deken er overheen. Maar de wind blies, en de deken fladderde weg als een grote vogel. De kip rende er kakelend vandoor.

"Blijf nou liggen, deken," zei Mees zacht. Hij werd een beetje verdrietig.

Toen zag hij het blik op de veranda. Daar zaten de wasknijpers in. Mama gebruikte ze voor de was, en ze zouden de deken vast kunnen vasthouden.

Mees pakte het blik en trok aan het deksel. Het zat muurvast. Hij trok harder. Hij trok met zijn tong tussen zijn tanden. Het deksel bewoog niet.

Toen draaide hij het blik een stukje en trok nog één keer.

Plop! Het deksel vloog open en alle knijpers sprongen door de lucht. Ze regenden op het gras, op de stoelen en op de kip. De kip kakelde en schudde haar veren.

Mees schaterde. Daarna pakte hij een knijper. Hij klemde de deken aan de tak. Klik. Nog een. Klik. Klik. Klik.

De deken bleef hangen.

Mees kroop naar binnen met zijn beer. Het licht was zacht en groen, als het water van een vijver. Buiten ritselde de wind, maar de deken bewoog niet.

De kip stapte voorzichtig de hut in. Ze draaide een rondje in de hoek, ging zitten en zei heel zachtjes: "Tok."