Fantasie & verwonderingNederlands
Het Kleine Schip
In een stille baai lag een klein piratenschip. Het heette de Peper.
Kapitein Fien stond aan het roer. Ze wilde naar de zandbank varen, want daar lag een kist met koekjes die ze gisteren had begraven. Maar het zeil had een gat. De wind waaide er dwars doorheen, en de Peper draaide rond als een tol.
"Een klein schip, een grote zee," zei Fien. "Dat lukt wel."
Ze propte haar sok in het gat. Floep, de sok vloog eruit. Ze plakte er een stuk zeewier op. Pats, het zeewier gleed eraf. De mast kraakte een liedje: kriek-kra-kriek. Dat deed hij altijd, en niemand vond dat gek.
Op de reling zat een meeuw. Ze had een rode lap in haar snavel. Ze keek naar de mast en keek naar de lap.
Fien wilde haar niets vragen. Ze deed het liever zelf. Ze probeerde het gat nog een keer dicht te knopen, maar het werd alleen groter.
Toen zag ze iets. De meeuw legde de lap in het mandje boven in de mast. Ze duwde hem rond en rond. Ze zocht een plek voor een nest! Op de rotsen woei het steeds weg.
"Meeuw," zei Fien zacht. "Ik heb een gat in mijn zeil. En jij hebt een lap nodig voor je nest."
"Ik heb een lap," zei de meeuw. "Ik heb ook een plek nodig."
"Dan ruilen we," zei Fien. "Jij mag in het mandje wonen. Mag ik jouw lap?"
De meeuw knikte. Samen trokken ze de rode lap over het gat. Fien knoopte hem vast, knoop na knoop.
Het zeil werd bol en rood. De Peper schoot vooruit, weg van de rotsen, naar de zandbank.
Boven in de mast zat de meeuw in haar nieuwe nest. De mast kraakte zijn liedje: kriek-kra-kriek. En het klonk bijna alsof de meeuw zachtjes meezong.